De energiesnelweg
(Uit Energiesnelweg 2, Tien Principes voor een Prettige Toekomst)
In de wetenschap moet zo nu en dan iets heel vaststaands herroepen worden. Tot aan het begin van de 20e eeuw had men volgens de mechanische wetten van Newton aangenomen dat er voor licht en andere elektromagnetische straling een medium nodig was om zich te verplaatsen, een medium dat kon golven. Voor geluid is er bijvoorbeeld lucht of een klankkast nodig, dus dat zou voor licht ook wel gelden. Men had geconstateerd dat geluidstrillingen zich niet in vacuüm kunnen voortplanten. Uit proeven bleek echter dat elektromagnetische golven (zoals licht, radiogolven, Röntgenstraling) zich wel degelijk verplaatsen door een leeggepompte buis. Dus trok men de conclusie dat voor die golven geen gewoon medium aanwezig was. Men bedacht ether, een onzichtbaar medium dat door alle stof heendringt en zelfs de ruimte tussen atomen vult. Ether was overigens al de naam van een van de elementen volgens oude Griekse filosofen.
Wel of geen ether?
In 1887 probeerden Albert Michelson en Edward Morley met een experiment het bestaan van ether aan te tonen. Ook onze aarde moest zich door alom aanwezige ether bewegen. Licht moest zich daarom met een andere snelheid verplaatsen in een richting parallel aan de aardbaan dan dwars op de aardbaan om de zon. Helaas, uit het experiment bleek dat de lichtsnelheid in alle richtingen gemeten exact hetzelfde was. Dit zou óf betekenen dat de aarde het stilstaande centrum van het heelal was waar omheen de rest draaide - dat stadium was men echter sinds de Middeleeuwen gepasseerd, óf er bleef niets anders over dan aan te nemen dat een allesdoordringend medium ether niet bestond. Men koos voor het laatste. Lorentz en anderen gingen op zoek naar een andere verklaring. Het bracht Albert Einstein tot de speciale relativiteitstheorie.
Lege ruimte of toch gevuld?
In 1911 toonde de Duitse natuurkundige Max Planck aan, dat er in de atomaire wereld heel veel loze ruimte is. In de film ‘What the Bleep Do We Know’ visualiseren ze de leegte van materie zo: Stel dat jij de kern van een waterstofatoom bent ter grootte van een basketbal, dan zwermt het elektron eromheen op een afstand van 36 kilometer! Daartussen is het leeg. Niet bepaald een geruststellende gedachte als je als wetenschapper op zoek bent naar ondeelbare, dus keiharde bouwsteentjes om al je materie uit op te bouwen. Planck opperde wel dat die ruimte niet echt leeg was, dat die energie bevatte. Echter, omdat hij vaststelde dat dit energieveld er altijd en overal is, beschouwde hij het als een constante zonder invloed op het materiële bestaan.
Nulpuntenergie
In 1913 kwamen Albert Einstein and Otto Stern met het concept van nulpuntenergie, de restenergie bij het absolute nulpunt. Dit punt van nul graden Kelvin ligt op –273 graden Celsuis, kouder kan het niet. Pas veel later was Dr. Harold Puthoff, professor aan de universiteit van Cambridge, als een van de eersten in staat om deze energie onder die condities te meten, een onvoorstelbare hoeveelheid, zelfs.
As er zelfs bij die enorme kou energie bestond, dan was er ook bij hogere temperaturen energie, dus altijd energie aanwezig. Dat bleek ook zo te zijn in de ‘lege’ ruimte tussen twee brokken materie, ook als die ruimte helemaal leeg leek te zijn, in het vacuüm.
| Toekomstprincipe: alles is energie |
Energiesnelweg
In plaats van op een stelsel van miniatuur bouwsteentjes blijkt onze wereld gebaseerd op alom aanwezige energie en hier en daar energie vervallen tot een deeltje. De deeltjes zijn ook nog eens mogelijke deeltjes. De waarnemer bepaalt het verschijnen van een deeltje dat voor die waarneming 'nergens' is. Eigenlijk de enige vastigheid biedt het feit dat er overal en altijd energie is. Dat beetje vastighied biedt tegelijkertijd uitzicht op grote flexibiliteit en op vrij eenvoudige beïnvloeding. Veel gemakkelijker dan met rigide structuren van keiharde deeltjes. Het veld van energie en de spectaculaire mogelijkheden die dit biedt voor de toekomst noem ik de Energiesnelweg.
Stel je het volgende voor: je zwemt in een oneindige oceaan zwemt. Overal om je heen is water, zover je kunt zien. En alles wat je ziet – eilanden met stranden, bergen, bomen, huizen en vuurtorens, schepen - staat of drijft in hetzelfde water. Als mens vóel je dat water, het verschil met je dagelijkse droge omgeving.
Stel je nu voor dat je een vis bent, die leeft op de bodem van die oneindige oceaan. Je hebt al je hele leven water om je heen. Voor jou als vis is water zo vanzelfsprekend, dat je je er niet van bewust bent. Water is je natuurlijke leefomgeving, zoals lucht en zwaartekracht voor mensen natuurlijke en vanzelfsprekende zaken zijn.
Op een vergelijkbare manier zijn wij ons niet bewust van het mooiste en handigste waarin wij voortdurend zijn ondergedompeld, de energie. We voelen het niet, we zien het niet, we horen het niet, we kunnen het (nog) niet goed meten. En toch is het er, altijd en overal. En in gigantische hoeveelheden. Een kubieke meter van de intense energie om ons heen zou voldoende zijn om alle oceanen van de wereld tot het kookpunt te verwarmen. Die energie bevindt zich rond alles dat bestaat en ín alles dat bestaat. Zo zit die energie rond en in ons lichaam. En tussen jou en mij. En in elke boom, tafel, stoel en steen. In je eten en drinken.
|